PAASVUREN
GAAN EEUWEN MEE
Het
verschijnsel paasvuur is eeuwenoud en hypermodern tegelijk. Dat biedt een
garantie voor het voortbestaan, want een traditie die zich niet aanpassen of
vernieuwen kan, sterft uit. Paasvuren niet, al werden ze begin negentiger jaren
stevig bestreden. Maar net als in de 17de eeuw overleefde de traditie
in de 20ste eeuw de aanvallen ook. Paasvuren zijn eeuwenoud èn
geheel bij de tijd, want in 1999 zaten ze al in kleur op Internet. Daar stond
zowel de uitslag van de Holtense paasvuurcompetitie, als het beeldend verhaal
hoe de klompen van Henny Kuijers in de fik vlogen tijdens het opruimen van de
smeulende resten van het paasvuur te Azelo. Dat het oude gebruik levend blijft,
zie je bij de poging van Plaatselijk Belang Haarle om weer een paasvuur te
krijgen. Dat gebeurt elders ook, want men mist het paasvuur toch wel als het
eenmaal verdwenen is. We weten dat door twee onderzoeken over paasvuren als 'levend
erfgoed'
Paasvuren
onderzocht
Het
eerste onderzoek was begin jaren negentig, toen Ton Dekkers Twentse paasvuren (Holten
e.o.) onderzocht. Hij publiceerde in het Volkskundig Bulletin (1993, pp78-104)
daarover: 'Paasvuren, een veranderlijke traditie tussen toerisme en lokale
identiteit'. Paasvuren bleken goede kanten te hebben. Het mooist was de
conclusie dat ze een geaccepteerde culturele waarde hebben, die in de
paasvuurgebieden geen nadere uitleg behoeft.
Het
tweede onderzoek is in 1999 begonnen met een enquête onder alle gemeenten in de
provincies Groningen, Drenthe, Overijssel en Gelderland en de Stellingwerver
gemeenten in Friesland. Gevraagd werd naar het voorkomen van paasvuren met
vergunning (dan wel ontheffing van verbodsbepalingen), alsmede 'illegale'
paasvuren. Ook is de gemeenten verzocht te melden of er problemen waren en welk
type aanvragers paasvuren wilden branden. Tot ieders verbazing reageerden binnen
twee maanden zo'n 120 gemeenten door het antwoordformulier per post of per
e-mail in te sturen. Paasvuren genieten warme belangstelling.
Dankzij
de begeleidende publiciteit reageerden ook belangstellende particulieren met
aanvullende informatie. Zo stuurde een in 1920 geboren mevrouw haar
jeugdervaringen op: 'Als meisje was het helemaal niet leuk, want je werd altijd
zwartgemaakt'. De schrijver H. van Goor van het boek 'Vlucht uit het dodendal
van de Neckar' (het verhaal van een dwangarbeider tijdens de Tweede Wereldoorlog)
reageerde ook. In het eerste hoofdstuk staan zijn jeugdherinneringen aan het
paasfeest met de paasvuren in Twente!
De
onderzoeken en het aanvullend materiaal geven een goed beeld hoe het er nu
voorstaat met dat oude gebruik en waar het nog knelt bij de bestuurders, 'boakenbouwers'
en milieuhandhavers.
Sociaal
vuur
Dat
oude gebruik is bekend bij mensen die zijn grootgebracht in de paasvuurgebieden.
'Vreemdelingen' staan nog wel eens vreemd ten opzichte van dat heftige
vuurgebruik in het openbaar. Zij klagen ook eerder over rook- of roetoverlast.
Voor hen heeft het gedoe van takkebossen en stro slepen en stapelen, gevolgd
door het opbranden van een gigantische bult snoeihout nog niet de 'geaccepteerde
culturele waarde' die de inboorlingen er vanouds wel aan geven. Het 'geheim van
het paasvuur' moet hen uitgelegd worden; later gaan ze de lol er vanzelf wel van
inzien. Een van die leuke dingen is het sociale karakter, een paasvuur verbindt
de omstanders. Je praat makkelijker met elkaar, ook met vreemden bijvoorbeeld.
En een groot paasvuur trekt duizenden mensen (de meeste files in Twente zie je
ook met Pasen).
Betreft
het een buurtpaasvuur, dan worden oud en jong getrakteerd. Is er een optocht met
fakkels aan verbonden, dan kan in principe iedereen met kinderen meedoen. Je
hoeft maar een fakkel bij de organisatoren te kopen en je doet gewoon mee, je
hoort erbij. Kinderen vergeten zo'n sfeervolle ervaring nooit meer.
(Heel bijzonder was 1997,
toen de komeet Hale-Bopp boven het paasvuur helder aan de avondhemel stond. In
1999 bij het paasvuur te Azelo vroeg een kind dus: Meneer, komt die komeet er
ook weer bij? Over herinneringen gesproken)
Paasvuurgebied
Hoe
ver strekt het z.g. paasvuurgebied zich uit?
Oostelijk Nederland ligt aan de rand van het Europees paasvuurgebied.
Paasvuren branden globaal in een gebied dat zich uitstrekt van Denemarken tot in
Oostenrijk en van Oost-Nederland tot achter de Harz. Uit de enquête onder de
gemeenten kwam naar voren dat het paasvuurgebied van Groningen tot onderin
Gelderland loopt en van midden Gelderland oostwaarts verder Duitsland in (volgens
de antwoorden tot medio juli 1999).
Het
noordelijkste paasvuur van 1999 was in Kloosterburen, met iets zuidelijker drie
paasvuren te Werkhuizen, Westeremden en Oosterwijtwerd. Het meest westelijke
paasvuur in Overijssel was te Kamperzeedijk. Ook in Basse (bij Steenwijk)
brandde een paasvuur. In Gelderland lagen de meest westelijk gelegen paasvuren
in de gemeente Kesteren (Betuwe) en in Otterloo (gemeente Ede), Vaassen en
Wissel (gemeente Epe) op de Veluwe. Het zuidelijkste paasvuur stond in Nijmegen.
Enkele
gemeenten in de Kop van Overijssel en op de Noord-Veluwe hebben het gebruik om
paasvuren te stichten de kop ingedrukt wegens overlast en misbruik in het
verleden. In principe hoort dit gebied evenals het Friese randgebied tot het
Europese paasvuurareaal. In Nijeholtpade is de vereniging 'de Takkebienders'
onlangs gestopt met paasbulten bouwen.
Oud
gebruik
De
paasvuren behoren tot de z.g. traditionele 'jaarvuren', die in bepaalde
jaargetijden ontstoken werden en worden. Het paasvuur hoort met de meivuren (Waddeneilanden)
tot de voorjaarsvuren. Het St. Johannes- of
midzomervuur ('Johannisfeuer') dat
in Zuid-Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland
gebrand wordt, valt op of omstreeks 22 juni. (Het weekend ervoor of erna
mag ook, al naar het uitkomt). Zo zijn er in Europa ook Martinusvuren op Sint
Maarten (11 november). In Noord-Nederland is het 'lichielopen' daar nog familie
van. Het midwintervuur zit min of meer verdoken in oudejaarsvuren en de kaarsjes
met Kerstmis.
In
alle gevallen komt zo'n vuurtraditie voort uit het verlangen naar zon en
vruchtbaarheid en vreugde om (terugkeer
van) de zon. Volgens de overlevering zouden het lichtschijnsel, vonken en rook
een weldadige uitwerking hebben op de vruchtbaarheid van de velden. In Duitsland,
in Lügde in het Weserbergland, hebben ze een variant op de paasbult. Daar wordt
een metershoog rad omwikkeld met brandbaar spul, dat brandend een helling
afdavert. De rondsproeiende vonken brengen vruchtbaarheid aan het land. Een
aardige variant is (was?) het gebruik in Roomse streken om zwartgeblakerde
takjes, 'poasholtjes', van het paasvuur door misdiennaars rond te laten brengen.
Het leverde 'de jongs' een
zakcentje op en de bezitter van de 'poasholtjes' bescherming tegen ongeluk,
ziekte van het vee en misgewas.
Het
wordt nattevingerwerk om de ouderdom van deze vuurtradities te schatten, maar
zeker is dat in de 17de eeuw zulke vuren al verboden werden. Het
begeleidende gehos, gezuip, liederlijk gezang en ander vermaak stoorden het
gezag. Nochtans leeft zo'n oude traditie voort, ook toen eind 20ste
eeuw strenge milieuregels de paasvuren in een kwaad daglicht plaatsten. Alle
paasbulten heetten ineens afval, waarvoor aparte vergunningen nodig waren. Ook
als je al dertig jaar een paasvuur op eigen land had. Het werd soms ook te gek.
In bepaalde streken vonden in plaats van paasvuren een soort openbare, stinkende
vuilverbrandingen plaats. Gelukkig zijn dit soort uitwassen vrijwel verdwenen,
mede door de controle van de boakenbouwers zelf, en van de milieupolitie.
Wat
is 'ècht'?
Uit
de enquete bleek dat verscheidene bestuurders en beleidsambtenaren moeite hebben
met de definitie van een echt paasvuur. De zelfgemaakte normen lopen sterk
uiteen, afhankelijk van de plaats en hoe sterk daar de traditie nog is. Er valt
te proeven dat men naar enkele grote paasvuren toe wil, met alles d'r op en d'r
aan en die kleine vuren eigenlijk wel kwijt wil.
'Echt'
heet dan groot, met muziek, optocht en 'iets voor kinderen' . Het kan ook
inhouden dat alleen bepaalde organisaties een paasvuur mogen stichten. Of dat er
slechts paasvuren worden toegestaan op vastgestelde plaatsen, waar ze al vele
jaren staan. Als uitsterfconstructie, eigenlijk. Elders wil men de vele
particuliere vuurtjes juist in ere houden, want dàt is volkstraditie. Eén
gemeente denkt er over, om aanvragen te gaan selecteren op het sociale aspect
bij de paasvuren. Achter op eigen erf een paasvuurtje bouwen wordt dan
onmogelijk.
In
elk geval is dit 'levend erfgoed' moeilijk in een strak keurslijf te proppen. Er
zijn meer echte paasvuren in de beleving van 'het volk', dan in de ogen van
bestuurders en controleurs.
Een
positieve ontwikkeling is dat van enkele gemeenten de vraag kwam om steun bij
het bepalen van een helder beleid. De milieuregels respecteren, maar vooral de
paasvuurtraditie goed in ere houden.
De
hoogste, de grootste, de mooiste, de meeste
Zoals
bij elk oud gebruik ontwikkelen zich nieuwe varianten. Zo zijn er competities
gekomen waarbij naar de beste, de hoogste en de mooiste paasbult wordt gekeken.
Er komen regels voor het opbouwen: wel een kraan of alles met de hand stouwen?
In pyramidevorm of als een ouderwetse hooimijt? In Drenthe doet zelfs een
milieuclub mee aan de keuring van paasvuren.
Wat
ook telt is het aantal bezoekers dat er op af trekt. Het kunnen er 3000 of meer
worden. In IJzerlo (Achterhoek) zegt men het grootste paasvuur van Nederland te
hebben…
We
besluiten met de Toptien van Paasvuurgemeenten (2000), waar de traditie nog volop leeft:
1-
Tubbergen met meer dan
honderd grote en kleine paasvuren
2-
Losser met 39
paasvuren
3-
Emmen en Heerde,
beiden met 23 paasvuren
4-
Denekamp met 20
paasvuren
5-
Weerselo met 16
paasvuren
6-
Ommen met 15 paasvuren
7-
Hoogeveen met 13
paasvuren
8-
Wijhe met 12 paasvuren
9-
&
10- Noordenveld (Dr.) en Hengelo (O), elk met 11 paasvuren.
Jan Tuttel (Eelde/Dr.)