Het weer, natuurkunde vol onzekerheden
De praktijk van moderne wetenschap, communicatie en oud bijgeloof
slotlezing
Jan Tuttel
op de 34ste 'Woudschotenconferentie' van de Werkgroep
Natuurkunde-Didactiek, op zaterdag 11 december 1999 in het congrescentrum
Leeuwenhorst te Noordwijkerhout.
De
meteorologie is een stukje natuurkunde dat een geweldige ontwikkeling heeft
doorgemaakt. Er is een wereld- en ruimtewijd supernetwerk van waarnemingen en
verbindingen, dat functioneert volgens één internationale standaard. Men
gebruikt zeer geavanceerde meetapparatuur, computers en rekenmodellen en
sleutelt voortdurend aan een nog betere onderbouwing van de verscheidenheid aan
theorieën.
De
weerkunde staat en valt met de wijze van communiceren, bijvoorbeeld om het
product naar de afnemers te brengen. De wereld anno 1999 wenst snelheid en
accuratesse - en het wordt vaak maar een van de twee. Dan nog is het de vraag of
men begrijpt wat de weerkundige boodschap is.
Is
het misschien zo, dat deze tak van natuurkunde zichzelf bij het meten &
rekenen en wetenschappelijk 'zekerweten' voorbij gelopen is? Meteorologen in de media zijn in te huren entertainers
geworden, het publiek houdt zich vast aan oude weerwijsheden en het plezier aan
de verschijnselen van het weer zit met name bij de weeramateurs en bij
niet-meteorologen als natuurgidsen, boswachters en gepensioneerde huisartsen in
het wild.
Een
weerwoord tot slot - om mee te nemen, als waarneming of als verwachting.
Inleiding
en probleemstelling.
U
heeft zich beziggehouden met 'Natuurkunde tussen hemel en aarde' en dat twee
dagen lang. Op een hoog niveau ook, inclusief de lancering van een Ariane-raket
aan de andere kant van de wereld.
Tegelijkertijd
zaait een onooglijk vrouwtje uit een dorpje in de Betuwe paniek, door hevige
stormen en verschrikkelijke overstromingen te voorzien. Zij laat waarschuwingen
uitgaan die nationaal worden opgepikt door alle media. Ongeruste mensen bellen
hun verzekeringsman, het KNMI en de politie en weten niet wat ze moeten doen.
Sommigen wijken uit naar huisjes op hogere gronden. Het voorspelde natuurgeweld
blijft uit op de eerstgenoemde datum, maar op een persconferentie meldt het
medium Mariska vermoeid, doch standvastig: 'Wat niet is, zal komen'.
Dat
hele circus wordt gretig verslagen door zes cameraploegen en een meervoud aan
fotojournalisten. 'Hoewel de vragen eenvoudig waren, bleven de antwoorden
meestal uit', meldt het NRC-Handelsblad dan nog.
Het
medium bemoeit zich óók met 'natuurkunde tussen hemel en aarde' en zij trekt
meer aandacht èn krijgt meer vertrouwen dan deze hele zaal vol vaklieden.
Wetenschappers in de natuurkunde hebben een probleem -de natuurkunde heeft een
probleem. Het gaat allemaal om feitelijke en voor ons bestaan op aarde zeer
wezenlijke dingen, maar u heeft hier geen half dozijn TV-reportageploegen op
bezoek gehad. Moet dat dan? kunt u vragen. Jawel, denk ik. Ietsje minder mag
best, maar je moet wel aan de bak komen in het communicatiepatroon.
Natuurkundigen
weten en verklaren veel, maar zij houden hun twijfels. In uw eigen stukken hebt
u kunnen lezen- ik citeer "Iedereen weet dat weersverwachtingen niet altijd
uitkomen", waarna de verklaring volgt. Het ligt aan de atmosferische
condities, het ligt dus aan het weer (even 'kort door de bocht' gezegd).
Tuurlijk, dat weten u en ik wel- maar het publiek, uw klanten, uw leerlingen, uw
collega's, willen zekerheid. Daarom is dat mediummensje Mariska zo'n wonderkind.
Zij biedt vastigheid: "Het gaat fout, uw huis komt onder water te staan. Ga
maar mee naar veiliger oorden "(op bungalowpark Rabbitt Hill, of all
places).
En
als het even verkeerd uitkomt: "Wat niet is, zal komen". Geen moderne
wetenschapper moet dat wagen te zeggen. Hij wordt gevierendeeld, zijn instituut
wordt opgeheven en zijn discipline wordt als schoolvak geschrapt. Zijn partner
wordt verbannen naar Nova Zembla en moet de ijsdrift gaan meten om de
satellietmetingen te kalibreren (Want met die metingen wist je 't ook nooit
zeker).
Broeikaseffect,
El Niño, nieuwe ijstijd, Elfstedentocht: ja, wisten we het maar zeker. Hier zit
'm de crux van het verhaal. Er wordt geweldig veel gemeten, geweten en bewezen
in de natuurkunde, maar het levert vooral gedonder op.Van Copernicus en Gallileï
vroeger, tot onze beide Nobelprijs-winnaars natuurkunde, deze week nog. De
natuurkunde is heel ver gekomen, maar de geleerden konden voor de TV niet in
kort bestek uitleggen wat hun bekroonde werk inhield. Dat wekt gewoon weinig
vertrouwen en je hebt wéér geen zekerheid.
Mensen
vallen dan altijd terug op oude 'zekerheden' -voor waar aangenomen regels en
wijsheden van vroeger- en zoeken naar vertrouwde boodschappers. Op het symposium
vorige week over risico-communicatie, getiteld "Het Zekere Van Het Onzekere"
was de boodschap: Zorg voor een open communicatie over de onzekerheden bij
wetenschap en techniek!
Nou,
dat is nèt waar u op zat te wachten na twee dagen rapportage van onderzoek,
methoden demonstreren en andere vormen van kennisoverdracht. Doen we het weer
niet goed? En nog gekker: hoe vertel ik het mijn leerlingen, hoe vertel ik het
mijn kinderen? Je leert ze een aantal wetten, onderzoeksvaardigheden en
zekerheden, voegt daar wat inzicht aan toe -
en daarna moet je zeggen: Eh, maar het kan ook best zijn, dat er iets
niet helemaal klopt…
Ik
neem u daarvoor verder mee naar het weer, naar de mix van moderne wetenschap
& techniek, oud bijgeloof en communicatie met het publiek. Natuurkunde in
het wild, eigenlijk - met weergoden om mee te beginnen.
2.
Oorsprong en Onwikkeling van de meteorologie
Het
draait allemaal om de zon als motor van het hele weerfeest. Zonder zon geen
warmte, geen licht, geen voedsel, geen leven. Een rampzalig vooruitzicht, zodat
onze verre oervoorvaderen op slag religieus werden toen ze dat doorhadden. De
zon, als moeder van alles op aarde, werd aanbeden in vele vormen en maten. Het
laatste is heel duidelijk bij de vruchtbaarheidssymbolen. Dat zie je overal
terug, bij prehistorische rotstekeningen in Zuid-Zweden tot godenbeeldjes in
andere delen van de wereld.
De
zonnegodsdiensten hebben het uitgehouden tot het christendom in ons werelddeel
aan de macht kwam. In de vierde eeuw hebben bisschoppen de nog heersende
zonnerituelen zelfs met geweld de kop ingedrukt. Ook de verering van
levenbrengende bronnen en watertjes werd op die wijze sterk ontmoedigd. Een
strijd die tot in de achtste eeuw doorging in de Noordelijke Nederlanden en
aanpalend Duits en Deens gebied. Bonifacius schoot er zijn hachje bij in. En
toen - was daarna de zon uit beeld en daarmee uit de harten van mensen?
Nooit
een keer. Oude gebruiken die aan de seizoenen gebonden zijn, bestaan nog. Ook de
tradities die de zon aanmoedigen om weer terug te komen en levenskracht te
schenken. Ook de feesten die met een lichtje gepaard gaan in donkere tijden. Met
onze Paasvuren in Oost-Nederland en verder Europa in, met de meivuren op de
Waddeneilanden en de Sint-Jansvuren in midden- en Zuid-Europa, het 'lichie-lopen'
met Sint Maarten en de kaarsjes met kerst (midwinter dus), zijn we eigenlijk nog
steeds bezig om de zon te vriend te houden.
De
oeroude rituelen zijn er natuurlijk niet meer. Maar de erfenis wel. Ik wil
daarmee zeggen: die zon- en ook de maan- blijven op een of andere manier in het
cultuurpatroon van de moderne westerse wereld vast verankerd. Je kunt hem er
niet uit losweken als zijnde 'een puur natuurkundig, wetenschappelijk
verschijnsel'. De maanstanden bepalen nog steeds de joodse en de mohammedaans
kalenders, en bij ons ook de Paasdatum.
Zo
is de weerkunde en de sterrekunde en alles wat er achter weg komt, ontsproten
aan waarnemingen die zowel praktisch (landbouwkundig, waterstaatskundig,
navigatie) als godsdienstig van aard waren. Machtige en gevaarlijke
natuurverschijnselen werden aan de goden toegeschreven. Donder en bliksem konden
ja niet van aardse origine zijn? Zonsverduisteringen waren een ramp (nog
trouwens: want afgelopen zomer heeft een moeder uit bijgeloof haar pasgeboren
kind omgebracht, omdat het tijdens de zonsverduistering geboren werd!). In
Athene staat de Toren Der Winden, als oudste meteorologische monument uit de
eerste eeuw voor het begin van de jaartelling. De acht voornaamste
windrichtingen, die elk hun eigen type weer meebrachten, zijn verbeeld in acht
windgoden.
Dat
systeem van windrichtingen die het weerbeeld bepalen, heerst nog steeds in San
Francisco. Het weer in en om de Baai van San Francisco wordt sterk gestuurd door
de openingen in de omringende heuvel- en bergruggen. Elke windrichting levert
een eigen type weer op.
Er
speelt nòg wat mee in dit verhaal van oorsprong en ontwikkeling: de hemel, het
uitspansel zelf. In het donker waren de sterren en vooral de maan opvallende,
lichtende elementen, waar je houvast aan had. Zo kwam de 'astrometeorologie' van
de grond, waarin men causale verbanden legde tussen de hemelverschijnselen en
het aardse weerbeeld.
Al
deze waarnemingen sinds de oude Grieken leverden een serie handleidingen op,
ervaringsregels eigenlijk, die hardnekkig stand hebben gehouden tot op de dag
van vandaag. De overlevering gebeurde aanvankelijk mondeling, maar in de
middeleeuwen kwamen ze op schrift. En toen waren de rapen gaar, want je raakt ze
nooit meer kwijt.
Al
die oude regels en wijsheden duiken weer op nu het jaar 2000 zo aanbreekt. Nu
liggen in de boekhandels weer diverse nieuwe drukken van de 100-jarige
Boerenkalender van Knauer. Het is een geschrift met langjarige
weersvoorspellingen en astrologische raadgevingen van Mauritius Knauer. Hij was
abt van het klooster Langheim (Kreis Kulmbach) in Franken en hij publiceerde dit
werk in de 17de eeuw. Het wordt nu gewoon weer voor zoete koek geslikt. Ze gaan
als broodjes over de toonbank. In 1860 had dit boekje al 180 herdrukken beleefd.
Toch zegt Knauer niks anders dan: "dass alles Leben und Wachstum von den
Einflüssen und Walten des Himmels und der Gestirne abhängt".
Astrometeo-bijgeloof van dik driehonderd jaar geleden en anno 2000 weer goede
handel…
Er
zijn natuurlijk andere weerregels, gebaseerd op feitelijke observaties. Maar dan
kom je al in de buurt van de natuurkunde, in de richting van wetenschap en
techniek.
3.
De meteorologie komt op: ontdekkingen bij wetenschap en techniek
De
groei van het meteovak en de daaraan te grondslag liggende wetenschappelijke
inzichten, vormen samen een boeiend verhaal. Je moet instrumenten hebben om te
meten en dan heb je weer een theorie nodig, die de uitkomsten verklaart. En als
't communicatiesysteem van paard-en-wagen naar de telegraaf gaat,
komt er een dimensie bij. Van 't een komt 't ander. Het steekt eenvoudig
in elkaar, als je terugkijkt.
De
eerste stap is, met de pas uitgevonden instrumenten, reeksen van metingen op
dezelfde stek te doen. Het blijkt dan handig om te kiezen voor eenzelfde
meetsysteem, met vaste ijkpunten. Dat is nog steeds een moeilijk punt, want één
mislukking van de Mars-sondes, de Polarlander, schrijft men toe aan menselijke
fouten -veroorzaakt doordat de makers deels met het metrische systeem werkten en
anderen met de Engelse maat. Sinds Celsius en Fahrenheit is er niks nieuws onder
de zon- maar 't is wel sneu en kostbaar.
De
tweede stap in de meteo was het maken van meetreeksen op meerdere plekken
tegelijk. Alweer een dimensie erbij. Pas toen de berichtenservice sneller ging,
kon je een beeld krijgen van het weerpatroon in een groter gebied. De spoorwegen
zorgden voor een uniforme tijdaanduiding die de lokale zonnetijden verving, en
met de elektrische telegraaf kon je
vanaf 1848 snel berichten overseinen.
De
optische telegraaf met seinpalen op bergtoppen en kerktorens ging toen ter
ziele.Vierhonderd kilometer oostelijk van hier, staat op de Burgberg (achter de
Weser) de toren v/h 'Telegrafenstation nr. 28 der Königlichen Preussische
Optischen Telegraph' uit 1833 dit verhaal waar te maken
Intussen
was men d'r al achter dat je met uitsluitend grondwaarnemingen te weinig
gegevens hebt. De nationale weerdiensten die (na 't ingebruiknemen van de
elektrische telegraaf) vanaf ca. 1850 werden opgericht (KNMI in 1854) gingen aan
de slag. Er kwam al snel internationaal overleg en toen kwam ook de derde stap:
hogerop meten, de lucht in. Deze derde dimensie, de
hoogtewaarneming was in 1780 op een bergstation al begonnen, maar in 1892
ging de eerste officiële weerballon de lucht in.
Voor
de uitwisseling van weergegevens kwam in 1929 de eerste internationale meteocode
tot stand. Nog steeds een wereldwijd, uniek systeem.
Alles
wat daarna gebeurde is niets anders dan een uitbreiding van dit systeem, waarbij
in drie dimensies wordt gekeken en gemeten en waarbij de gegevens snel verzonden
en bewerkt worden. De Amerikaanse vliegerstations in1879, de radiosondes sinds
1927 en de weersatellieten sinds 1960 zijn een verfijning van de
hoogtewaarnemingen. De buienradar, operationeel vanaf 1959 (in de USA - het KNMI
kreeg weerradar in 1962) en de zichtmeters langs snelwegen en starbanen van
vliegvelden, zijn andere verbeteringen van het 'rechtuit' waarnemen op de
aardkloot.
De
meetapparatuur zelf wordt steeds verder verbeterd - al blijft het tere punt van
zekerheid en betrouwbaarheid, als je alles automatisch wilt laten bekijken en
besnuffelen. Het KNMI gaat naar volledige automatisering van waarnemingen toe.
Het gaat echter ook om bezuinigingen: jaarlijks vier miljoen gulden als je de
menselijke waarnemers afdankt. Bij elk verbeterd meetsysteem, bij elk verbeterd
netwerk hoort een checkprogramma dat twijfelachtige gegevens er acuut uitwipt.
Anekdotes:
transmissometers met hardnekkig nestelende vogels
in de verwarmde meetpijp; spinnennesten op plekken met gelijkmatige warmte;
beroete en beslagen lenzen, 'sneeuw' in de zomer vanwege een zwerm muggen,
scheefhangende draaipunten windmeters, verzakkende masten en
meetopstellingen bij hoge waterstanden, heel geleidelijk uit de calibratie
lopende meetapparatuur. Niks nieuws onder de zon, vergeleken met de traditionele
parallaxfouten bij het aflezen van kwikthermometers
De
groei zit 'm vooral in de automatisering en in de snelle rekensystemen, zodat
het waarneemnet nóg dichter kan worden. Je
krijgt nu dus nòg sneller meer weermateriaal voor je neus. Vooral de Deutsche
Wetterdienst en de Amerikaanse National Weather Service pronken hevig met hun
verbeterde systemen. De Amerikanen hebben in 152 weerbureau's nu AWIPS, het
Advanced Weather Interactive Processing System, geïnstalleerd.
De
meteorologen hebben nu via één werkstation de beschikking over alle gewenste
beelden van weersatellieten, de Doppler-radar, het hele vlotje aan gegevens van
automatische weerstations en alle 'computer-generated' numerieke
weersverwachtingen. Dat scheelt - want toen ik mijn opvolger bij de Meteo Eelde
onlangs 's nachts bezocht voor een
radioprogramma, zat hij in zijn eentje bij 18 of 19 beeld-schermen het weer te
bedwingen.
Via
slimme communicatiesystemen en een prachtige instrumententechniek komt dus een
massa weergegevens beschikbaar; er is supersnelle rekencapaciteit en dán …
- moet je d'r een weersverwachting van bakken voor diverse doelgroepen. Dàt
is het doel van al die inspanning!
Daarvoor
heb je dan maar twee dingen tot je beschikking, met een ontwikkeling van 150
jaar:
-
de
weerkundige, zeg maar natuurkundige theorieën en praktijken, hoe het weer
in elkaar zit
-
de
communicatiemethode met je doelgroepen: hoe snel - en hoe vertel ik het mijn
klanten?
En
wat dacht u, zou dat eind twintigste eeuw een beetje willen lukken?
4.
Groeiend inzicht en het risico van misvattingen
Ja,
je kunt vasthouden aan een boerenweerregel uit 1515: "Zoals het weer is op
de derde dag na volle maan, zo zal het nog tien dagen gaan". Maar dat is
bijgeloof met een automatische óverlevering, geen meteowerk.
De
weerkunde is een jonge wetenschap, al werken de oudste classificaties nog door.
Onze wolkenindeling komt voort uit het werk van Howard in 1802, en de schaal
voor de windsterkte is nog steeds gebaseerd op de oppervlakte zeil die een
oorlogschip voert, van admiraal Beaufort uit 1806.
Ik
ben vroeger eens als getuige opgeroepen in een strafzaak. Als beëdigd en
geoefend waarnemer moest ik ergens 'te velde' hoogten schatten in voeten en de
windsterkte in knopen. Het zijn meteowaarden die vanouds uit de zeevaart komen
en later ook in de luchtvaart in gebruik raakten.
Wat
hebben we er nadien bijgeleerd?
Onder
meer dat luchtsoorten met aparte eigenschappen gescheiden worden door een
hellend vlak, waarlangs zich een hele strijd afspeelt tussen warme en koudere
lucht, tussen dalende en klimmende lucht en tussen vochtige en drogere soorten
lucht. Zo'n overgangszone kan enkele tientallen kilometers breed zijn, maar ook
wel meer dan honderd kilometer. Die dingen bewegen zich sneller of langzamer
voort en daarna heb je ander weer. In het kort is dat
de frontentheorie van de Noorse school van de meteorologen. Uitgevonden
in de jaren dertig en vanwege die hevige strijd langs een min of meer
vastliggend scheidingsvlak, zijn die zones 'fronten' genoemd - een analogie uit
the Great War, de Eerste Wereldoorlog.
De
Tweede Wereldoorlog bracht de ontdekking van de straalstroom op grote hoogten.
Amerikaanse viermotorige bommenwerpers vlogen op volle kracht naar Berlijn, maar
op een kwade dag haalden ze het doel niet eens, vanwege ongekende stormachtige
tegenwinden. Die straalstroom staat thans bekend als de snelwegsturing van de
depressies die wij op ons dak krijgen. Na de oorlog ontdekten we ook, dat er een
omkering van windrichting kan plaatsvinden, een windsprong op verschillende
hoogten. De wind waait dan ineens de andere kant uit. Ook de neerslagtheorieën
zijn van jonge datum.
Afgelopen
maand kocht ik bij een antiquariaat in Steenwijk de "Korte Handleiding Voor
de Weerkunde" van P.J. van Loon. Het is een herziene uitgave van 1921 van
een boekje uit 1906. Daarin bestaan nog geen weerfronten, het weerpatroon wordt
gevormd door depressies en hogedrukgebieden. Ook de neerslag komt tot stand door
'verdichting van den waterdamp'. Het
boekje is compleet met 39 bladzijden.
Vergelijk
dat met de "National Audubon Society - Field Guide to North American
Weather" van Ludlum uit 1997. Een pocket van 655 pagina's 'bijbeldundruk'
met een derde deel schitterend fotowerk èn ook zowat alle bekende weertheorieën
erbij - van tornado's tot droogterampen.
Er
is in één, twee generaties tijd geweldig veel bijgeleerd. We weten veel van
wervelpatronen en circulaties op grote schaal, van de wederzijdse beïnvloeding
van grote wateroppervlakten en luchtmassa's. Nouja, van vanalles waar u deze
dagen over sprak. Met die kennis maken we weersverwachtingen. We nemen aan dat
het klopt en dat we eigenlijk wel zo'n beetje weten hoe het werkt.
Helaas,
hoe meer je meet, hoe minder je weet. Recent onderzoek brengt nieuwe feiten en
daarmee tekortkomingen in de heersende opvattingen aan het licht. U hoorde deze
dagen van de geodetische satellieten die atmosferische omstandigheden als ruis
ervoeren. Tot enkele slimme onderzoekers die ruis zelf als meetgegeven
hanteerden. En toen bleek dat er meer waterdamp in het zwerk hing, dan de wolken
aangaven. Met andere woorden: het cruciale patroon van de waterdampverdeling
boven ons, is anders dan we altijd aannamen. De neerslagverwachtingen, de
methodiek erachter, moet weer tegen het licht gehouden worden.
Nog
zo eentje. Altijd is beweerd dat wolken zelf geen warmte absorberen, ze kaatsen
de lichtstralen terug en het thermodynamische hemeltheater is daarmee een intern
partijtje. In 1995 bleek dat wolken wèl een flinke hoeveelheid zonnestraling
absorberen. De conclusie kon niet anders zijn, dan dat de kennis van de
processen waarmee in wolken warmte wordt overgedragen sterk tekort schoot.
Daarmee zijn eigenlijk ook de vigerende atmosfeer- en oceaanmodellen aan revisie
toe - plus de aangekoppelde klimaatmodellen.
Terugkijkend
onderzoek is nuttig, maar nooit doorslaggevend. In 1999 is een onderzoek
gepubliceerd naar het weer vanaf 1877, waarbij een mogelijke invloedvan El Niño
aan de orde kwam. Prachtig voor het inzicht. Maar voor de praktijk? Ik citeer
dr. Bijvoet, ex-directeur van het KNMI en erelid van de Nederlandse Vereniging
van Beroepsmeteorologen, over een onderzoek dat hij zelf deed: " Je begreep
het beter, je zag het beter, maar het merendeel van die onderzoeken heeft
nauwelijks bijgedragen aan de verwachtingen".
Hier
zijn we terug bij mijn beginvraag: de kwestie van zekerheid en vertrouwen. Wat
claimen we zeker te weten en hoe brengen we dat naar het publiek, in het
vertrouwen dat zij òns vertrouwen? Is de meteorologie zichzelf niet een beetje
voorbijgelopen?
5.
Weer en maatschappij
We
hebben het over het weer, dat is op korte termijn en over 't klimaat, als we een
langere termijn op het oog hebben. Het weer is grillig in onze regio, het
klimaat is mild. Het weer raakt ons dagelijks, het klimaat raakt de toekomst van
onze nazaten. Maar hoe je 't wendt of keert - het gaat in alle gevallen om de
vier P's: pretenties, prognose, presentatie en perceptie.
Het
is verleidelijk om breeduit in te gaan over de relatie weer en maatschappij.
Daaraan gekoppeld zit de relatie weerlieden en klandizie, al wordt dat nu vaak
eenzijdig vertaald naar commerciële dienstverlening. Ik bedoel het ruimer:
alles wat in de weerkunde en omstreken wordt bekokstoofd, dient niet het weer -dat
vermaakt zichzelf wel- maar de maatschappij. Alle sectoren of elementen daarvan:
ecologie & economie, gezondheid, alle vormen van transport, sociale
contacten & het openbare leven en -immer en altijd weer- oorlog & vrede.
Geen
supersnelle, zelfdoelzoekende 'slimme' bom kan zonder mooi weer, anders is het
geprogrammeerde doel weer niet te vinden. Invasies van hele krijgsmachten worden
uitgesteld om het weer, lees het boek
'Operatie Overlord' over de invasie van 1944 maar na.
Ook
het gevecht tegen plagen en ziekten heeft een relatie met het weer:
sprinkhanenzwermen bewegen zich met de luchtstromingen mee over Afrika. Je hebt
een apart specialisme: sprinkhanenmeteoroloog - net als moderne poolexpedities,
wereldzeilers en om-de-wereld-ballonvaarders eigen forecasters in dienst hebben.
Als ze het niet goed doen, vliegen ze dan de laan uit? Ik heb zoiets nog niet
gehoord, maar dat komt ook nog wel.
Kort
geleden maakte ik een nasleep mee van een weersverwachting van dit voorjaar die
niet uitkwam. Het zit zo. In de vergadering van 18 november j.l. van het
nationaal park De Weerribben (NW-Overijssel), klaagden de riettelers over de te
lage waterstand in het gebied. Het waterschap meende dat ze binnen de peilnormen
waren gebleven - misschien op een kleine periode in april na. Dat waterpeil is
van zeer groot belang voor inwoners, schippers, riettelers en boeren en zeker
ook huiseigenaren in het lage land.
In
april was het waterpeil op voorhand iets lager aangehouden, omdat het waterschap
anticipeerde op de weersverwachting die 20 tot 30 mm regen beloofde. Met de
overstromingen van najaar 1998 en de afgelopen natte winter in het hoofd - nouja,
u begrijpt het.
Die
beloofde neerslag kwam niet, de rietpercelen met het jonge gewas -net in de
groei- stonden droog en de hele mikmak vroor kapot bij het eerste beetje
nachtvorst. Weg hele rietoogst in een heel gebied - met het beste riet van
Europa. In dat gebied was het rekening houden met een heldere weersverwachting
desastreus verlopen. (De verenigde riettelers gaan hun schade nu claimen.) En
toch heeft het waterschap niets anders gedaan dan na wijs beraad, rekening
houdend met recente ervaringen, op de weersverwachting vertrouwen. Maar de
prognose was waardeloos.
Ergens
raak je hier het fenomeen van 'wensweer', het weerbeeld en het weersverloop zou
zich moeten voegen naar wat je verwacht. De weersverwachting speelt daarbij een
rol, maar als het vertrouwen weg is, als de zekerheid ontbreekt, dan kun je wel
zonder weerbericht.
Ook
enig onbenul kan je parten spelen. Het overkwam mij op een werkbezoek met
collega's aan enkele nationale parken in de Alpen, afgelopen juni. Ik zag
dagenlang geen bergtoppen met witte sneeuw in de prachtige zon, alleen maar
kletsregen en druilregen. Ik heb de bergschoenen vijf dagen niet droog gehad.
"Ach so, dass wundert mich nicht" zei mijn collega van het nationaal
park Berchtesgaden, "Wij hebben hier jaarlijks 2000 mm neerslag". Twee
tot drie keer zoveel als in Nederland. Mijn wens was prentbriefkaartenweer. De
praktijk was soppen en sippen. Mijn perceptie was dus totaal anders.
Wat
de prognose betreft: er is een grens aan de voorspelbaarheid. Die heet de
voorspelbaarheidshorizon en is afhankelijk van het heersende weersysteem. Alleen
bij een stabiele situatie met een keihard hogedrukgebied, kun je een dag of tien
in ogenschouw nemen. Bij een depressie ben je sneller uitgekeken. Het te
berekenen weer heeft na die kritieke tijdgrens geen verband meer met het
beginweer.
Wat
wèl kan is de kwaliteit van de kortetermijn-verwachting verbeteren; je hebt
immers meer gegevens en je kunt ze sneller verwerken? Als het goed loopt, kun je
binnen een kort tijdsbestek op lokale schaal snelle bijsturingen plegen aan de
weersverwachting.
In
maart van dit jaar uitte Henk van Dorp van het KNMI die pretentie in
Intermediair. Een braderie en een optocht hebben daar belang bij. Het waterschap,
dat met een traagheid van bemaling van een groot gebied rekening moet houden,
kan er echter niks meer mee.
Dus,
welke pretenties en presentaties hebben we nog over?
6.
Tot slot: zekerheid en vertrouwen met de vier P's
Pretenties, Prognose, Presentatie en Perceptie
We
hebben nu de oorsprong en de ontwikkeling van de meteo bekeken, met de drie
poten:
-
weergoden
en bijgeloof
-
technische
en praktische ontwikkeling &
groei van het weerbedrijf
-
theoretische
perikelen van de weerkunde
We
constateerden daarbij dat alle inspanningen bedoeld zijn voor mensen, de klanten
zo je wilt. We terug bij de zekerheid en het vertrouwen, gekoppeld aan de 4 P's
-Pretenties, Prognose, Presentatie en Perceptie. Het kan best zo zijn, dat het
publiek de vaart van de wetenschap niet meer kan of wil volgen. Dat kan komen
door een gebrek aan vertrouwen, dat heeft kennelijk een deuk opgelopen. Het kan
ook komen door een overschatting van de rol van het meten en weten. Dat laatste
kwam vorige week ter sprake op het symposium over risico-communicatie. Jaap van
Ginniken stelde dat men te veel vertrouwt op wiskunde en statistiek bij allerlei
vraagstukken. Hij zegt "Het probleem is dat men uitgaat van een denkwijze,
die in wezen teruggaat op de mechanica van Newton. Dat is het geloof in de
Heilige Drie-eenheid: meten is weten, weten is voorspellen en voorspellen is
beheersen".
Honderd
procent zekerheid bestaat niet, waar de mensen slecht aan willen. Paul Schnabel
signaleerde dat het vertrouwen in wetenschappelijk onderzoek er niet meer is.
Men kijkt niet als eerste naar de resultaten, men wil weten of de procedure wel
goed is. Het motto is: wij moeten kunnen vertrouwen.
Tja,
en dan heb je bij het meteovak problemen als je de vier P's verkeerd hanteert.
Eerst
die pretenties maar even. Elke meteodienst zegt het zo goed mogelijk te doen, en
soms nog beter. De National Weather Service
(NOAA-NWS) in Amerika noemt zich de
'no surprise' weerdienst. Hun AWIPS-systeem heeft al drie 'awards' gewonnen. De
Deutscher Wetterdienst (DWD) heeft sinds november "der grössten und
leistungstärksten Supercomputer der Welt" in gebruik. De weerdienst
Meteofax in Berlijn doet het anders. Hun oprichter levert "exacte
Wetterberichte, mit denen er den Beweis antritt, dass seriöse Information und
Umgangssprache kein Gegensatz sind".
Bij
de pretenties hoort de op-de-borstklopperij van de 80% goed score van
weersverwachtingen voor 24 uur vooruit, terwijl de vier- en vijfdaagse
verwachtingen ongeveer in zes van de tien gevallen correct bevonden wordt. Zet
je dit af tegen de score van de oude weerspreuken, dan heb je niet veel gewonnen.
Van de 400 getoetste Bauernregeln, die het korte termijnweer voorspellen op
basis van 'Naturbeobachtungen', is 80-100% juist. Bij een ander type weerregels,
de "überlieferte Witterungsregeln" die al zo'n 200 jaar in gebruik
zijn op het platteland is de score 67%. Dit zegt de Westdeutsche Rundfunk op een
internetartikel 'Wetterprofi's früher
und heute'. Is het dan gek als
riettelers en anderen zich vaker wenden tot de beproefde weerregels, tot aan
weerbijgeloof toe?
Valt
er wat te verbeteren bij de resterende P's Prognose, Presentatie, Perceptie?
De
prognose kan kennelijk niet veel beter. De hevige misser van de Paasdagen 1999
doet nog steeds zeer. Maar ook de zakelijke voorspelling van het Ministerie van
Verkeer & Waterstaat in het toekomstrapport 'TP 2000' van 1968 kwam niet uit. De beloofde kwaliteit van de
weersverwachtingen is niet gehaald. Je merkt het ook aan die buitenlandse
weerdiensten: ze mikken op nog meer gegevens en nog meer en snellere
gegevenswerking, waarvan men veel heil verwacht.
Ligt
het aan de presentatie dan? Ja en nee. Het algemeen publiek wil show zien op TV,
want weer is ook entertainment. Sommige weerpresentatoren kun je ook inhuren
voor je partijtje of bedrijfsfeest. Zoiets levert niet méér vertrouwen op in
de weerpresentatie. Zakelijke meteoklanten willen zo secuur mogelijke gegevens
en het liefst zekerheid. Ik denk dat je hen ook kunt zeggen hoeveel marge
betrouwbaarheid die specifieke verwachting heeft. Voor het algemeen publiek
heeft een verwachting met de kansen in percentages uitgedrukt, weinig zin. De
gevoelsmatige of intuitieve waardering van die kansen verschilt geweldig met die
van de kale werkelijkheid - wat de nuchtere cijfers eigenlijk aanduiden. Dat wil
dus niet…
Het
KNMI is de aangewezen instantie voor het uitbrengen van waarschuwingen bij
levensbedreigende of maatschappij-ontwrichtende situaties. Men kent de
Nederlandse begrippen Weeralert en Weeralarm, waarvoor duidelijke criteria
bestaan. Om het belang van zo'n 'zwaar weer' bericht te onderstrepen is een
eigen omroeper nuttig, net als bij politieberichten. Ook de reguliere
nieuwslezer kan zo'n bericht als speciale waarschuwing meenemen. Je moet het uit
de sfeer van het gebruikelijke weerbericht halen.
Er
is nog wat raars met waarschuwingen: menig weerman of weervrouw waagt zich aan
lullige waarschuwingen: 'verkeershinderlijk' weer, dikke jas aan bij 'windchill'
en oppassen op de fiets voor windstoten en meer van dat 'weergezeur', zoals een
ingezonden brief in de NRC-Handelsblad van 1 februari 1996 stelde. Die
waarschuwings-kolder kan ook beter
afgezworen worden. Het werkt de infantilisering in de hand.
Het
blijft de kunst om op een geloofwaardige manier het weerbericht naar de klanten
te brengen. De gebruikte terminologie is zo'n punt. In 1975 en in 1980 is er
onderzoek naar gedaan in Nederland. Deze week had de NOAA-NWS op internet ook
een vragenlijst over de terminologie staan. Men is er nog niet uit hoe je het ècht
brengen moet. Bij de windkracht gooit het publiek hier de termen hard en
krachtig door elkaar en een frontpassage zegt ze ook niet veel.
Het
blijft net als in het weerboekje uit 1906 (herdruk 1921): een depressie brengt
slecht weer ('die met die krul' op TV) en een hogedrukgebied is mooi weer. We
moeten nu wèl een keer af van de weerterm 'storing', het is een onzinwoord.
Zo'n lagedrukgebied is gewoon onderdeel van het grote circulatiepatroon op ons
werelddeel. Hou het daarbij en gebruik geen term uit een verlopen theoretische
beschouwing over een natuurkundig evenwicht. Maak ons weer storingsvrij!
Inmiddels
heb ik het over de perceptie van het publiek. Het algemeen weerbericht geldt nu
vooral voor de vrijetijdsbesteding, de vakantiebestemming en het geestelijk
welbevinden. De zakelijke markt betaalt voor weerberichten op maat. Bovendien
kun je overal je weer weghalen, zeker op internet. Het publiek wenst zekerheid
van een betrouwbaar type. Is dat het KNMI
niet, dan is er wel een Jomanda of
Mariska.
Concluderend:
Het
lijkt erop dat de dagelijkse meteorologie op zijn tenen loopt en even niet
verder reiken kan. Echter door de pretenties van beter meten en weten, gekoppeld
aan nog sneller rekentuig, wordt
de indruk gewekt dat de meteowetenschap alles kan weten. Dat wordt versterkt
door een systeem van waarschuwingen voor zwaar en gevaarlijk weer. Het publiek
hoeft zelf niets te ondernemen, het wil blindelings vertrouwen en dat betekent
toch weer ongeloof en paniek als er echt wat gebeurt. De nieuwe opdracht luidt
echter: leer het publiek leven met onzekerheden en laat ze hun eigen 'overwogen'
beslissingen nemen. Een weerman of -vrouw is geen vader of moeder met 16 miljoen
kinderen.
De
presentatie op radio en TV van de weersverwachtingen gebeurt routinematig of in
een entertainmentsfeer. Een scheiding in 'gewoon leuk' weer en een uitgebreide
weerpresentatie voor echt geïnteresseerden is nog steeds het overwegen waard.
Wat in ons land eveneens nog verder ontwikkeld kan worden, is het nauwer
betrekken van het publiek bij het weerbedrijf. Leer ze adequate meldingen
doorgeven, vraag naar hun ervaringen bij apart weer -neem ze kort gezegd serieus.
In het buitenland zijn hiervan aardige voorbeelden te vinden.
Vier
P's hebben we gehad. Tot slot heb ik de vijfde P voor u. Natuurgidsen,
boswachters en die huisarts in het wild kennen hem al. Het weer als natuurkundig
verschijnsel is een schitterend fenomeen, vol beweging, vol vormen en vol kleur.
Steeds nieuw, altijd in de buurt en het is gratis. Daarom geef ik u de vijfde P
mee, de P van Plezier aan het
weer!
Goed
weekend en maak er wat moois van!
Jan
Tuttel
Eelde, 10/12/1999

Copyright 1995 - 2008 Han Tuttel. All rights reserved.
This material may not be published, broadcast, rewritten or redistributed in any form, including digital,
without the prior consent and written agreement by the author.
|